Een poëtische inktpot

Theo_van_Doesburg_self-portrait_1913_140px
Theo van Doesburg. Zelfportret 1913.

Niet alleen verzamelaars kunnen lyrisch worden van hun inktpot, ook dichters hebben zich over de inktpot poëtisch uitgelaten. Een van hen is I.K. Bonset, een heteroniem (alter ego, vorm van pseudoniem) van Theo van Doesburg. Bonset was evenwel niet de enige naam waarachter Van Doesburg schuil ging. Zo bediende hij zich als romanschrijver van het pseudoniem Aldo Camini. Maar daar blijft het niet bij. Zelfs de naam Theo van Doesburg is niet de ware naam van de persoon achter dit alles. De naam Van Doesburg heeft hij ontleend aan die van zijn stiefvader, Theo Doesburg. Later voegde hij daar zelf het tussenvoegsel “van” aan toe.

De geboortenaam van Theo van Doesburg is Christian Emil Marie Küpper (1883-1931). Van Christian Küpper heeft echter nog nooit iemand gehoord. De naam waaronder Christian internationale bekendheid heeft verworven is die van Theo van Doesburg, voorman van de abstracte kunst in het begin van de 20e eeuw en oprichter in 1917 van de Nederlandse kunstbeleving De Stijl.  Hij, Van Doesburg, was een veelzijdig kunstenaar en onder meer actief als kunstschilder, typograaf, fotograaf, interieurontwerper, architect, schrijver en dichter. In zijn hoedanigheid van dichter achtte Van Doesburg zichzelf actief vanaf 1913, met (waarschijnlijk) Volle maan (februari 1913) als eerste gedicht waarmee hij meende voor het voetlicht te kunnen treden. Pennenvruchten van vóór die tijd, aangetroffen in zijn nalatenschap, vond hij blijkbaar zelf niet goed genoeg om aan de buitenwereld toe te vertrouwen. Na 1922 hield hij het dichten voor gezien. In de tussenliggende  periode van 10 jaar schreef hij ruim 50 gedichten, sedert 1920 door hemzelf verzen genoemd. Een deel van die verzen voorzag hij van serienamen: Stillevens, Soldaten, X-beelden en Letterklankbeelden.

De eerste keer dat Van Doesburg als dichter in de openbaarheid trad was in 1916 met het gedicht De Priester-Kunstenaar, gepubliceerd in het tijdschrift  Eenheid, een weekblad gericht op maatschappelijke en geestelijke stromingen van uiteenlopende aard. Hij deed dat toen nog onder eigen (aangenomen) naam. Publicaties van latere datum dragen het heteroniem: I.K. Bonset, wat mogelijk een anagram is van de woorden “Ik ben sot”. Onder die naam heeft Van Doesburg vanaf 1920 ongeveer de helft van zijn verzen publiekelijk gemaakt. Hij deed dat in de tijdschriften De Stijl en Mécano. Niet zo moeilijk voor Van Doesburg, want van beide tijdschriften was hij redacteur/eigenaar. Wat betreft het tijdschrift Mécano, dat slechts een kortstondig bestaan heeft geleid, ging Van  Doesburg zelfs zover dat hij zijn alter ego I.K. Bonset als mede-redacteur/eigenaar van dat blad presenteerde.

Het gehele poëtrisch oeuvre van Van Doesburg is in 1975 als boekwerk verschenen, met een nawoord van K. Schippers (Amsterdam, Querido, 1975, 111 blz.). Daarmee zijn ook de niet door Van Doesburg gepubliceerde verzen, 44 jaar na zijn dood, aan de vergetelheid ontrukt. Basis voor het boek uit 1975 was een tot de nalatenschap van Van Doesburg behorend manuscript met gebundelde  verzen over de periode 1913-1920. Het titelblad van die bundel vermeldt: Nieuwe Woordbeeldingen (Kubistische en expressionistische verzen) door I.K. Bonset (1913 – 1920). Het boek is aangevuld met enkele latere (?) gedichten en het eerder genoemde gedicht uit 1916, dat niet in het manuscript voorkomt. De niet eerder gepubliceerde verzen en gedichten zijn in het boek bij wijze van facsimile opgenomen.

De verzen van Van Doesburg zijn over het algemeen experimenteel van aard. Waren de eerste voortbrengselen nog sterk naturalistisch georiënteerd, al snel werden invloeden van andere kunststromingen als het expressionisme, het kubisme, het futurisme en het dadaïsme, in zijn dichtsels zichtbaar.

De-Inktpot,-vers-van-I.K.-Bonset-bewerkt-2

Het vers De Inktpot is er één uit de serie Stillevens 1914-1915. Het is bepaald geen lofzang op de inktpot, die in het vers als dom, zwart, klein en vuil door Bonset wordt afgeschilderd. Dat in tegenstelling tot de mens, die door hem als groot, krachtig, wijs en machtig wordt neergezet. Zonder omhaal van woorden beschrijft Bonset op analytische wijze hoe hij het contrast tussen inktpot en mens ervaart. Vandaar ook dat hij het gedicht de tussen haakjes geplaatste ondertitel “contrastvers” meegeeft.

Stilleven en analytisch zijn enkele stijlelementen van het kubisme, een avant-gardekunststroming in (voornamelijk)  de schilderkunst, met de jaren 1907-1920 als bloeitijd. Bonset, die als Theo van Doesburg ook zelf kunstschilder was, heeft de genoemde stijlelementen ook in een aantal van zijn verzen tot uitdrukking gebracht. Hij typeert die pennenvruchten dan ook als kubistische verzen. De Inktpot is daar een goed voorbeeld van.

De inktpot figureert nog een tweede maal in het oeuvre van Bonset. In het vers Lobelia I (1916) komt de volgende strofe voor:


Op mijn tafel
staat ‘n inktpot
Ligt een smerig
eindje touw.

Dit vers is opgenomen in de Anthologie Bonset, die Van Doesburg in 1921 in het tijdschrift De Stijl plaatste. Vermeldenswaard is ook dat het (complete) vers sedert 1993 als muurgedicht op het pand Doezastraat 5 in Leiden prijkt. Dat een stad als Leiden aandacht aan Bonset schenkt is niet zo vreemd omdat Van Doesburg daar, aan het Kort Galgewater nummer 3, een paar jaar atelier heeft gehouden.

Bronnen

(15021004)